De manier waarop dakpannen op de dakconstructie worden bevestigd, verschilt van land tot land en zelfs van streek tot streek. De keuze wordt bepaald door het type dakpannen dat wordt gebruikt, de weersomstandigheden en de normen die ter plaatse worden gehanteerd.
Voor Frankrijk maakt men in DTU 40.2 bijvoorbeeld een onderscheid tussen zeven verschillende categorieën dakpannen:
- DTU 40.21 gebakken aarde met ineenschuiving of reliëfschuiving
- DTU 40.111 gebakken aarde met plat vrijvlak
- DTU 40.22 gebakken aarde kanaal
- DTU 40.23 gebakken aarde plat
- DTU 40.24 betonnen dakpannen met schuiving en ineenschuiving in de lengte
- DTU 40.241 betonnen dakpannen met schuiving, ineenschuiving in de lengte, maar platte dakpannen
De omschreven bevestigingen worden bepaald door de klimaatzones en de situaties in die zones (DTU 40.21).
Meestal geeft men de voorkeur aan een bevestiging naar keuze, hetzij met behulp van haken, hetzij met behulp van dakpannenbevestiging, hetzij met behulp van spijkers voor iedere dakpan in een erg blootgestelde zone. In ieder geval kiest men altijd voor een bevestiging van alle gevelpannen en gootpannen - vaak voor 1 dakpan op 5 op de rest van het dak. Uiteraard verwijzen we naar de bovenstaande D.T.U.-normen voor meer informatie.
Er is een heel uitgebreide keuze aan haken waarmee dakpannen kunnen worden vastgezet. Ieder van die haken is aangepast aan een specifiek model dakpan of aan het gebruik van een bepaalde panlat. Er bestaat niet zoiets als een ‘universele' haak, want de enige juiste keuze wordt ondermeer bepaald door de vorm van de ineenschuiving, de dikte van de dakpan, de dikte van de panlat, de hoogte van de overdekking enz...
Het gebruik van een haak die niet helemaal geschikt is, kan leiden tot ontwerpfouten zoals pannen die niet goed in elkaar schuiven of die worden opgetild.
Er bestaan zogenaamde “kophaken”, die de bovenkant van de dakpan omvatten en die in de panlat wordt vastgezet of die rond de panlat worden geleid. Deze haken bevestigen de bovenkant van de dakpan op dezelfde manier als spijkers aan de panlat. Ze zorgen ervoor dat de dakpannen niet naar beneden kunnen glijden en eventueel van het dak vallen. (afb. 1)
Daarnaast zijn er zogenaamde “zijdelingse haken”, die aan de zijde van de dakpan (inschuiving) worden bevestigd, en die in de panlat worden vast gespijkerd of die rond de panlat lopen en de dakpan eronder aan de zijkant vast neemt. Deze haken zorgen dus voor een verbinding van de twee dakpannen en de panlat. Ze zorgen ervoor dat de dakpannen niet aan de voorkant kunnen worden opgetild en zijn goed geschikt voor gebruik van dakpannen met viervoudige overdekking. (afb. 2)
Er bestaan ook “voethaken” die de onderkant van de dakpan op de onderste panlat bevestigen - boven de dakpan daaronder. Deze haken bevestigen twee dakpannen aan de daklot en zorgen ervoor dat die niet kunnen worden opgetild of naar beneden schuiven. Deze haken kunnen echter alleen worden toegepast bij een uniforme dakbedekking en met dakpannen die aan de bovenkant niet van groeven zijn voorzien. (afb. 3)
De meest doeltreffende systemen zorgen er zowel voor dat de dakpannen aan de panlat worden gespijkerd als dat de dakpannen twee per twee met elkaar worden verbonden. Er bestaat echter niet één oplossing. Zo is het mogelijk dat men een zijdelingse haak combineert met een spijker, een kophaak of een multiblok. (afb. 4)
![]() |
afb. 3 ![]() |
![]() |
afb. 4 ![]() |